>

ANWB Vakantiemonitor laat zien: voorjaarstrips worden in 2026 korter en dichterbij

Ruim 8 miljoen Nederlanders gaan in april en mei op vakantie. Daarbij blijft 94 procent in Europa en kiest 59 procent ervoor om in deze periode weg te gaan. Het beeld is niet dat mensen afhaken vanwege de hogere brandstofprijzen, maar dat vakanties vaker anders worden ingevuld: dichter bij huis, korter van duur en met meer aandacht voor kosten, drukte en omstandigheden onderweg.

Dat is vooral zichtbaar in de bestemming. Nederland blijft het vaakst genoemd, terwijl Duitsland oprukt naar de tweede plaats. Binnen Europa daalt het aandeel vliegvakanties van 40 naar 34 procent en neemt de auto aan belang toe. Tegelijk blijft ook Zuid-Europa in trek. Meer dan de helft van de vakantiegangers noemt een Zuid-Europees land als bestemming.

Europa en dichtbij huis winnen terrein

De voorjaarsvakantie speelt zich in 2026 bijna volledig binnen Europa af. Dat Nederland bovenaan staat en Duitsland stijgt, past bij een verschuiving naar bereikbare bestemmingen. Het gaat daarbij niet alleen om het land zelf, maar ook om de manier van reizen: minder ver, makkelijker op te delen in etappes en eenvoudiger bij te sturen als plannen veranderen.

Die ontwikkeling sluit aan op een voorjaar waarin de reis minder vast hoeft te liggen. Een bestemming dichter bij huis maakt het eenvoudiger om later te vertrekken, korter te blijven of onderweg nog van route te veranderen. Dat geldt niet alleen voor vakanties in Nederland of Duitsland. Ook reizen naar Zuid-Europa blijven mogelijk, maar vragen meer reistijd en een andere indeling van de dagen.

De april-meivakantie trekt bovendien niet alleen mensen die aan schoolvakanties vastzitten. Ook 68 procent van de reizigers die die beperking niet hebben, kiest toch voor deze periode. Het voorjaar blijft aantrekkelijk door het vaak mildere weer, minder drukte dan in de zomer en lagere kosten.

Waarom dit ook voor campers van toepassing is

Het onderzoek noemt kamperen, maar maakt daarin geen onderscheid tussen tenten, caravans, campers of andere kampeermiddelen. Er zijn dus geen aparte cijfers over het aandeel campers, over routes of over verblijfsduur binnen deze groep.

Wel past het patroon van dit voorjaar goed bij een flexibele manier van reizen. Korter weggaan, dichter bij huis blijven en onderweg uitgaven aanpassen laten zich makkelijker combineren met een reis die niet volledig vooraf vastligt. Dat betekent niet dat er nu concrete cijfers zijn over meer of minder camperreizen, alleen dat de omstandigheden van dit voorjaar goed aansluiten bij die vorm van vakantie.

Kamperen zelf blijft stabiel in beeld. Zeventien procent kiest in april of mei voor een kampeervakantie. Bijna 30 procent van die groep doet dat mede uit kostenoverweging. Meer valt daar zonder uitsplitsing niet uit af te leiden.

Prijsverhogingen veranderen de reis

Hogere prijzen leiden vooral tot andere keuzes. Ongeveer een derde van de vakantiegangers past de plannen aan, terwijl bijna vier op de tien geen maatregelen nemen. De aanpassingen zitten vooral in korter weggaan, dichter bij huis blijven en minder uitgeven aan horeca.

Dat zegt veel over hoe vakanties worden ingevuld. Niet de vakantie zelf verdwijnt als eerste uit beeld, maar de duur, de afstand en de uitgaven onderweg schuiven. Het gemiddelde budget per persoon ligt meestal tussen 250 en 500 euro.

Bij gezinnen met kinderen is die druk groter. Daar zegt 37 procent veel tot zeer veel invloed van prijsstijgingen te ervaren. In de totale bevolking ligt dat aandeel op 29 procent. Wie helemaal niet op vakantie gaat, noemt vooral financiële redenen. Een derde van die groep zegt ook later in het jaar niet meer weg te gaan.

Drukte, weer en AI sturen de planning

De voorjaarsplanning wordt ook sterker bepaald door omstandigheden op de route en op de bestemming. Zo zegt 57 procent drukbezochte steden te vermijden. Daarnaast houdt 55 procent rekening met extreem weer, tegenover 45 procent een jaar eerder.

Dat werkt door in de invulling van de reis. Drukte vermijden kan betekenen dat vertrekdagen verschuiven, dat steden worden ingeruild voor rustiger gebieden of dat verblijven korter of juist verspreid worden gepland. Hetzelfde geldt voor weer. In het voorjaar kan temperatuur of neerslag sneller meespelen in de keuze voor een regio of een tussenstop dan in de hoogzomer.

AI krijgt ondertussen een bescheiden maar duidelijkere plaats in de voorbereiding. Het gebruik bij vakantieplanning stijgt van 12,5 naar 26 procent. Daarbij gaat het om praktische hulp, zoals activiteiten, stops of restaurants, niet om een systeem dat de hele vakantie overneemt. Onder jongere reizigers ligt het gebruik hoger dan onder oudere groepen.

Amerika verliest intussen aantrekkingskracht. Zes op de tien Nederlanders kijken negatiever naar reizen naar de Verenigde Staten. Voor voorjaarsvakanties verschuift de aandacht daardoor nog nadrukkelijker naar Europa en andere bereikbare bestemmingen.

Wat nog niet concreet te zeggen is

Niet alles laat zich uit deze cijfers halen. Er is zoals gezegd geen aparte uitsplitsing naar campers, geen verdeling naar type kampeermiddel en geen detail over routekeuze, landvoorkeur of verblijfsduur binnen de groep kampeerders.

Daarom blijft de duiding van de Vakantiemonitor voor ons nogal beperkt. Dat meer mensen binnen Europa met de auto reizen, betekent niet automatisch dat camperreizen groeien, of juist verminderen. Dat kamperen op 17 procent blijft staan, zegt ook niet welk deel daarvan met een camper op pad gaat. Wat wel vaststaat, is dat het voorjaar van 2026 vooral draait om aanpassen in plaats van afzien: minder ver, vaker binnen Europa en met scherpere keuzes in duur, route en uitgaven onderweg.